Het voorbeeld van hun liefde (2022)

Toen mijn ouders kort na elkaar overleden in 2001 bleef er een enorm archief aan brieven en dagboeken achter. Ik besloot iets te doen met de brieven die ze elkaar schreven toen mijn vader (19) in 1948 vertrok om zo’n anderhalf jaar als administrateur of schrijver te varen voor koopvaardijschepen van de Rotterdamsche Lloyd. Mijn moeder (17) en hij hadden een middelbare school-verkering. Vanuit San Francisco, Manila, Bombay, Abadan schreef hij over wat hij meemaakte, maar vooral over hoe hij op de proef gesteld werd, als beschermd opgevoede jongen, blootgesteld aan de rauwe werkelijkheid aan boord en aan een wereld die in puin lag en waar overal opstanden en burgeroorlogen uitbraken. Zij maakte haar school af en ging als eerste vrouw uit haar familie een vak leren aan de School voor Maatschappelijke werk in gebombardeerd Rotterdam. Na een paar maanden thuis, en het opbloeien van hun liefde, moest hij als dienstplichtig militair nog een jaar naar Nederlands-Indië waar zojuist de wapens zwegen na een bloedige koloniale oorlog. Toen hij eind 1950 thuis kwam verloofden ze zich.

De ervaring om die brieven te lezen was overweldigend. Ik kon in de hoofden kijken van mijn ouders toen ze jonger waren dan mijn eigen kinderen. Ik zag de prehistorie van mijn jeugd, mijn opvoeding. En vooral zag ik de eerste sporen van wat in hun latere leven grote en dreigende thema’s zouden worden, zoals de geestelijke kwetsbaarheid van mijn vader. Zijn jarenlange diepe depressie heeft mijn puberteit gekleurd en mij een heel bepaalde blik op het leven gegeven.

In de vorm van een brief aan mijn dochter maakte ik verhalen over thema’s die altijd ertoe doen als je twintig bent, in 1948, in 1978 of in 2018: de opgave iets van je leven te moeten maken. De eeuwige kwestie van mannen en vrouwen. De angst voor depressie en waanzin. Je reactie op het onrecht en de wreedheid in de wereld. De moeite die het kost zicht op je binnenwereld te krijgen en iets daarvan te delen met je geliefden.

Cirkelend tussen Alkmaar 1973, Bombay 1948, Rotterdam 1950, Groningen 1980, Bandung 1950 en Amsterdam 1986 ontstaat een intiem relaas over de grootouders die mijn dochter nooit gekend heeft, maar het is ook een exemplarische geschiedenis van het na-oorlogse Nederland, van binnenuit.









Het laatste jaar (2013)


De vriendschap en samenwerking met Martin Bril is de basis van deze roman. David en Brent zijn de roman-versies van mij en Martin en onze geschiedenis komt vanaf 1979 komt in flarden waarheidsgetrouw voorbij. Dat het verhaal verteld wordt door negen schrijfmachines, die steeds fungeren als de sprekende geest van een relatie tussen twee mensen en een periode, geeft al aan dat er een fictief verhaal is toegevoegd aan het verhaal van de vriendschap tussen David en Brent.

In de fictieve plot dient zich een schimmige figuur aan, Eden Wildervank, een gefrustreerde schrijver uit de vroege Groningse tijd rond 1980, die David na de dood van Brent aanklampt om samen zaken te doen.

De roman gaat over de Werdegang van het jonge verlangen een schrijvend leven te leiden, zonder dat je weet wat dat is en hoe dat moet. Dat bracht David en Brent bij elkaar, maar hun verschillende verlangens en demonen maakten ook dat hetzelfde verlangen ze uit elkaar dreef. Ze slaagden er maar half in vrienden te blijven terwijl hun levens uit elkaar dreven. Het literaire schrijven is in een digitale media-cultuur iets anders dan toen ze aan hun schrijfmachines zaten te werken in 1980. David schrijft brieven aan de overleden Brent om orde te scheppen in zijn herinneringen.

Eden Wildervank is een boze, cynische versie van hetzelfde verlangen dat Brent en David deelden. Hij is vervuld van haat tegen de literaire wereld en verkoopt zijn op oude schrijfmachines geschreven miniaturen als waren het pentekeningen. Reproduceren is verboden. Hij wil met David een 21e eeuwse high tech mechanische schrijfmachine ontwikkelen, die als een peperdure racefiets of een mechanisch horloge, een luxe hebbeding wordt. Hij neemt David daarvoor mee op reis naar Parijs, Milaan en Wuppertal.

David ontdoet zich uiteindelijk op hardhandige wijze van de steeds naargeestiger en dwingender Eden. Hij is het cynisme, de rancune, de zelfdestructie beu. David stort zijn hart uit in een brief aan Brent: ook al treurt hij om het verbroken verbond, de gemiste kansen elkaar in die laatste jaren echt te hervinden, toch wil hij de geest van hun eerste verbond trouw blijven. Hij zweert meer te schrijven zoals Brent vond dat hij moest schrijven, als een soul reporter.







Een maand in Manhattan (2009)


Een literair logboek dat geschreven werd tijdens de opnames van de vier-delige documentaire serie The New York Connection (regie Roel van Dalen voor Avro/Tros) die in september 2009 te zien was op de Nederlandse televisie. Daarin had ik de rol van verteller en interviewer. Het thema was ontleend aan het zogenaamde Hudsonjaar, ter herdenking van de reis die die Engelse ontdekkingsreiziger maakte in opdracht van de VOC en zo in het eiland Manhattan aankwam. De geschiedenis van de kolonie Nieuw-Nederland en Nieuw-Amsterdam, het latere New York, is nog altijd terug te vinden in de hedendaagse stad. Met historici, op Wall Street, de burgemeester, immigratie-coaches, op een middelbare school, in Little Italy en China Town sprak ik met mensen die sporen van dat Nederlandse verleden konden aanwezen en op waarde schatten. Buiten de opnames om had ik mijn eigen plannen met mijn verblijf daar en thuis in Amsterdam liep mijn vriend en compagnon Martin Bril op zijn laatste benen. Mijn avonturen ook zoek naar een Olivetti Lettera 32 schrijfmachie, en naar boeken die verband houden met mijn vriendschap met Martin vullen de belevenissen aan die ik beleefde met de regisseur, de cameraman, de geluidsman en de productie-assistenten. Het bericht van Martins dood ontvang ik onderweg in de stad. Een met veel foto’s geïllustreerd logboek van een intense maand op Manhattan.




De wereld van 609 (2008)

Onderzoek in de stadsarchieven en bibliotheken maakte het mogelijk te vertellen over alle bewoners die geleefd hebben in het majestueuze grachtenpand op de Herengracht 609. De verteller laat zich 24 uur opsluiten in het leegstaande huis om zijn vijftienjarige zoon te vertellen welke denkbeelden en idealen ze elkaar en hun nazaten probeerden door te geven. Verheven gedachten tegenover de duisternis en wreedheid van de geschiedenis. Dankzij de vertelling verschijnen de historische personages als in gevonden filmscènes in de lege kamers van het koopmanspaleis. De families Hooft en Witsen leverden het wapenschilden op de gevel, er woonden een jonggestorven dichter, een legendarische vogelverzamelaar, een financier van de Amerikaanse revolutie, een eenzame rariteitenverzamelaar, een daadkrachtige kanalenbouwer en een cinema-exploitant. Ook het consulaat van het Italiaans koninkrijk, en het Amsterdamse cultuurfonds vonden er onderdak. Een vertellend essay dat de geschiedenis van het huis tot leven wekt.






Literair overleven (2008)

Bij wijze van een uitnodiging tot debat en uitwisseling schreef ik een pamflet over de verontrustende ontwikkelingen in de literaire uitgeverij. Hoe overleeft wat je een literaire cultuur kunt noemen? En hoe ontworstelen literaire uitgevers zich aan de dictatuur van de markt die steeds meer typen boeken onrendabel maakt? Wat betekent dat voor het overleven van auteurs? Hoe maak je lezers deelgenoot van het ontstaan, verspreiden, verkopen en maatschappelijk werken van wat er in boeken staat?








Tempo! (2007)


Een bundeling van verhalen en beschouwingen die allemaal draaien om hardlopen. Denk daarbij aan een portret van Steve Prefontaine, een greep uit de bizarre 19e eeuwse geschiedenis van hardlopen als beroepssport, een satire op de moderne cultus van het marathon-lopen, een kort portret van Emile Zatopek, een lofzang op de acrobatische aanwezigheid van urban runners in de stad en een analytisch, maar maf essay over de verschillende denkmodellen achter theorieën die de juiste looptechniek omschrijven. Maar ook de omgang met gadgets, honden en de voor- en nadelen van hardloopschoenen komen langs.






Het middel (2007)


In een afgelegen conferentieoord ergens op de vlaktes van een onwerkelijk groot Nederland zijn moorden gepleegd. Victor Tamboeli, een Nederlander met een Marokkaanse vader, wordt aan de grens gearresteerd. Volgens hem is er sprake van een misverstand: op zoek naar een remedie voor een onbekende ziekte waarin hij lijdt, was hij in gijzeling genomen door een utopische sekte. Hij beweert dat de doden zijn gevallen toen commandotroepen de sekte oprolden. Tamboeli wordt bij gebrek aan bewijs vrijgesproken en vertrekt opnieuw naar de oostelijke vlaktes, waar de ruïne van de utopie weer bewoonbaar wordt gemaakt. Onderweg verraadt hij een vriend, bekent hij een misdaad en ontpopt hij zich tot een romantisch opportunist. Een vreemde cultuur en de liefde voor een vrouw bieden hem een nieuw begin. Tamboeli is een man die zwerft tussen culturen, tussen drie vrouwen, tussen gitaar en ‘ud, en worstelt met eeuwig actuele vragen over utopie en terrorisme, de tirannie van het universele, over jeugd en ouderdom, vreemd en eigen. Een avontuurlijk boek waarin de hoofdpersoon zich grotendeels te paard verplaatst en een spel gespeeld wordt met de klassieke utopische roman.







Straatsofa (2005)

Essays en verhalen, die elkaar in deze caleidoscoop naderen en in elkaar grijpen. Een beschouwing over het werk van George Pérec staat naast een documentair stuk over een fictieve 19e eeuwse fotograaf en de fictieve dichter die hij portretteerde naar aanleiding van een feitelijk bestaande foto uit laat 19e eeuws New Orleans. Een vertellend gedicht en een programmatisch essay over het fenomeen straatsofa flirten met elkaar. Cinema, beeldende kunst (al dan niet fictief), de magie van het geboortejaar en de macht die schuilt in onze peilloze fascinatie voor alles wat op een menselijk gezicht lijkt passeren de revue. Ook autobiografische schetsen, fictieve scenes en poëtische analyses van natuurwetenschappelijk onderzoek staan op het menu.

Het is een proeve van onbeschaamd bemoeizuchtige literaire activiteit, die zich overal toegang verschaft, ongeacht of het werkelijk of onwerkelijk is, verheven of banaal, innerlijk of maatschappelijk.

Genomineerd voor de Jan Hanlo Prijs 2005.








Looptijd (2003)


In het jaar na de plotselinge dood binnen twee dagen van mijn ouders moest ik veel hardlopen om van alle gebeurtenissen te bekomen. Het hardlopende lichaam bleek een uitstekend personage om in beschouwingen en verhalen te beschrijven over welke zaken ik door dat alles anders was gaan kijken naar het leven en de wereld. Dit boek bevat zes verhalen van een loop van anderhalf à twee uur, bijvoorbeeld langs de Schelde bij Antwerpen, door de Noord Hollandse  duinen, langs een wilde rivier in Amerika, door een moeraslandschap in de Peel tijdens een onweersbui, tijdens een massa-wedstrijd, en langs de Amstel.

Hardlopen verschijnt als een veelkantige bezigheid. Als onbetaald werk, geleverde inspanning om iets van waarde te scheppen. Hardlopen heeft historisch ook een sterke geestelijke dimensie. Het kan ook dienen als spiegel om daarin het eigen levensgevoel als eenzaat/boodschapper te zien. Uiteraard is hardlopen ook een sport, een manier een spel met het eigen lichaam en anderen te spelen. De verhalen bieden ruimte aan de vruchten van studie en onderzoek, van trainingsleer tot de cultuurgeschiedenis van de inheemse Amerikanen, maar ook aan portretten van mijn ouders en herinneringen.

Het zijn verhalen, en tegelijkertijd essays: de beschouwingen en autobiografische elementen zijn volledig verweven met de fysieke ervaring van de loop en de beleving van het landschap of de wedstrijd, het weer en de dag die de loop bevat. Kennis en ervaring dansen samen.








Van hier naar hier (1999)


Een dossier bestaande uit herinneringen, fabels, beschouwingen en verhalen, die samen een verkenning zijn van de ervaring alleen te zijn in het niemandsland dat je betreedt nadat jeugd en opleiding zijn afgesloten, maar je nog geen eigen leven hebt opgebouwd. Het lucide nihilisme van de beginner, het verwonderde verlangen van een nog stuurloos jong mens domineren dit boek. Het zwerven op de plaats, het om zichzelf heen draaien en nog ontsnappen ook, is het dragende motief.

Jim Jarmusch’s debuutfilm Permanent Vacation, de vroege foto’ van Robert Frank, herinneringen aan het bandje waarin ik speelde in 1980, het eerste geheel uit samples bestaande album Endtroducing... van DJ Shadow (1996), de schilderijen van René Daniels, het zijn allemaal bronnen waaruit geput wordt om het mozaïek te leggen dat het beeld oplevert van deze archeologie van een levensgevoel.

Het boek is geïllustreerd met werk van Robert Frank, Johan van der Keuken,  René Daniëls, eigen opnamen en oude prenten.






Orville (1996)


Orville nodigt een groep van zeven vrienden en hun kinderen uit om de zomervakantie in een Frans buitenhuis door te brengen. In zijn uitnodiging vraagt hij ze allemaal iets belangrijks met de anderen te delen, door beelden, muziek, een verhaal, een lezing, een experiment. Dit in de hoop dat de draadloze verbinding die tussen de vrienden bestond en die dreigt te vervagen, zich hernieuwt en voor iedereen zichtbaar wordt. Met wisselend enthousiasme en succes doet iedereen dat, maar de verhoudingen blijken complex.

Bijna verdrinkt er een kind, er wordt een geheimzinnig apparaat gevonden op de bodem van een poel, en zonder dat de vrienden het door hebben, worden ze bespied en bespeeld door een mythisch wezen, Legba, de voudoo-geest met West Afrikaanse wortels die de hoeder is van de communicatie met de geestenwereld. Hij verschijnt in de gedaante van een oude man met strohoed, dan weer in die van een wolf, een hond, een roerdomp, lichtgevende vloeibare smurrie die uit het apparaat loopt of een boomtak die Orville een klap tegen zijn hoofd geeft. Dat diens plan voor de zomer op niets uitloopt kan hij op slag van een andere kant bekijken. Hij ziet in dat maakbaarheid en de geestenwereld die hij wil wekken tussen zijn vrienden, slecht samengaan. Het verhaal wordt verteld vanuit vele perspectieven, dat van Legba, maar ook dat van Orville, Marcus, Allan, de kinderen Lilly en Stefan, en de vrouwen Jeep en Yvonne.

Verscheen in het Duits in 1999 bij Dumont Verlag onder de titel Orville’s Gäste.







Oase (1994

De verteller in deze roman is Yoricks Oorman, een klassiek geval van twaalf ambachten, dertien ongelukken, die 26 brieven schrijft aan zijn ongeboren zoon, tijdens de laatste twee maanden van de zwangerschap.

In die periode vertelt hij over de jeugd van zijn geliefde, de aanstaande moeder van het kind, Katherina, over zijn eigen geschiedenis en die van de zwangerschap, die ontstond tijdens een lange reis langs de Westkust van Noord Amerika, het land waar de toekomst van de westerse wereld wordt uitgevonden in Silicon Valley. Onderwijl trekken de dagen voorbij, met klein ongemak, wachten, de gesprekken met Katherina, de bespiegelingen van een man die weet dat alles zal veranderen met de komst van het kind. Hij neemt zich voor in de brieven de nieuwkomer tips en uitleg te geven over het menselijk bestaan waarin hij zal landen. Daar komt weinig van terecht. Hijzelf kampt met een verslaving aan een fictief roesmiddel, alfanol, dat een toestand opwekt die nog het meeste lijkt op een permanente dichterlijke inspiratie. Moet hij afkicken of de waarde die hij in die roes ziet verweven met zijn leven als vader? Misschien is hij dat zelfs Katherina en het kind verplicht.

Belangrijk thema in het boek: het besef van de onvoorstelbare hoeveelheid niet-menselijke intelligentie die in planten, dieren, micro-organismen huist en die mensen nog bij lange na niet begrijpen. Onze eigen lichamen zijn grotendeels onbegrepen processen, waarin ons bewustzijn verwonderd ronddobbert. Oorman heeft daarom een duister voorgevoel bij digitale toekomstvisioenen waarin een regime van transparante communicatie en neutrale data de wereld overheerst. Zulke overschatting van het menselijk bewustzijn is vragen om problemen.











Antonius Servadac (1994)

Een novelle in de vorm van een biografische schets van een fictief schrijver, die in 1987 op 33 jarige leeftijd om het leven kwam. Nauwgezet vertelt de biograaf over zijn speurtocht naar de achtergronden van het gepubliceerde en ongepubliceerde werk van deze raadselachtige auteur, zoon van gevluchte Hongaren. Eerst zien we hoe de auteur zijn herkomst en familiegeschiedenis gebruikt als materiaal voor zijn novellen. Later blijkt hij als een koelbloedig intrigant een vriendengroep te hebben gemanipuleerd met de bedoeling over alle verwikkelingen een grote roman te schrijven. Als iedereen zich tegen hem dreigt te keren plant hij een ontsnapping, maar op een hotelkamer vindt een onbegrijpelijk ongeluk plaats dat hem van het leven berooft. Een terugkerend thema is dat schrijven redden en vernietigen tegelijk is.










Mobilhome (1991)

Een naamloze ik-verteller besluit niet naar huis te gaan maar een reiziger te worden in zijn eigen stad. De zes delen spelen zich af in zes stadswijken. Overal verzamelt hij verhalen en observaties die verband houden met de manier waarop mensen een relatie opbouwen met een plek, en hoe die relatie een ruimte sticht en vormgeeft.

Sommigen verlangen naar absolute soevereiniteit over een deel van de aarde, anderen zien de nabijheid van hun geliefde als de ultieme plek. In het hoofdstuk over het museumeiland gaat het over het vermogen van kunstwerken een ruimte op te roepen voor iets waarvoor nog geen ruimte was. In de vorm van een fictieve documentaire over het leven van Eduard Buridan wordt ook het verlangen verkend door het leven van meerdere levens onthecht te raken van wat een thuis, een eigen plek heet. Herinneringen aan een ouderlijk huis, een brief aan de muzikaal en fysiek eeuwig zwervende Jimi Hendrix sluiten het boek af.

Door het boek heen ontwikkelt de verteller stukje bij beetje een droombeeld over hoe hij de wereld zou willen bewonen: een vriendengroep die in voortdurende afwisseling, solo, in duo’s of groepjes een netwerk van panden bewoont, verspreid over de hele globe. Zo’n gezelschap ziet hij als zijn mobilhome.

Onderscheiden met de Multatuliprijs 1992.








Tegenwoordigheid van geest (1989)

Dit solo-debuut is het relaas van de sportfotograaf Harry Panetella, die onderzoek doet naar momenten waarop verlicht bewustzijn en doortastende actie samenvallen. In sport, kunst, de liefde, in praktische, spirituele en in filosofische zin. Via vrienden en  vreemden, reizen en studie, verdiept hij zich in de antieke sceptische filosofie van Pyrrho, de spontane stijl van Kerouac, Melville’s Confidence Man, het nieuw realisme van De Nieuwe Stijl, de patafysica van Alfred Jarry en het verbluffende oeuvre van Gertrude Stein. Het boek is een zoektocht naar een zelf getimmerde levensbeschouwing, die berust op een guerrilla tegen het Chagrijn, oftewel alles wat gemeen, dom, wreed, tragisch en angstig is. Het is een pleidooi voor het leren schakelen tussen mogelijk en werkelijk, zo snel en soepel dat je af en toe een time-out op het leven verovert.







Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril & Van Weelden (1987)

Een inmiddels klassiek debuut, 464 bladzijden met een alfabetisch op titel geordende verzameling van verhalen, schetsen, beschouwingen, moppen, dialogen, brieven en  fantasieën. Over alles wat de auteurs de afgelopen zeven jaar dat ze intensief met elkaar optrokken hebben gedeeld en samen bewonderd. Straatbeelden, portretten, stukken over jazz en soul muziek, oude filosofen en bijbelse figuren. Literatuur, cinema en beeldende kunst worden op allerlei manieren bekeken en overdacht. Maar het gaat ook over de onderbroek van Harry Mulisch, pannenkoeken, de frisbee als laatste rustplaats en Lou de Palingboer, die erin slaagde anderen te laten geloven dat hij God was. Al die teksten verschijnen tussen een reeks dagboek-notities van een duo (Bril & Van Weelden), twee jonge gasten die op een slooprijpe halve verdieping in de Dapperbuurt dagelijks aan iets onduidelijks werken. Ze treuzelen, piekeren, kijken televisie, loeren uit het raam, nemen elkaar in de zeik. Het boek toont kortom de omstandigheden van zijn eigen ontstaan.